Pingdom is een tool waarmee je de laadtijd en de beschikbaarheid van een website meet. Je vult een URL in, kiest een testlocatie en krijgt een rapport met de totale laadtijd, de paginagrootte, het aantal requests en een watervalgrafiek waarin elk afzonderlijk bestand staat dat je pagina ophaalt.
Wat je eruit haalt
De watervalgrafiek is het waardevolste onderdeel. Daarin zie je per bestand wanneer het geladen wordt, hoe lang het duurt en wat er op wacht. Zo vind je binnen een minuut de boosdoener: een afbeelding van 3,4 MB die niemand heeft gecomprimeerd, een chatwidget die 800 kB JavaScript binnentrekt, of een lettertype dat van een externe server komt en de tekst blokkeert.
Daarnaast biedt Pingdom uptime-monitoring: het controleert vanaf meerdere locaties of je site bereikbaar is en stuurt een melding als hij eruit ligt. Voor een webshop is dat het onderdeel waar je het echt voor gebruikt.
Wat Pingdom niet meet
Dit is waar mensen de mist in gaan. De “grade” en de laadtijd die Pingdom geeft, zijn niet de cijfers waar Google naar kijkt. Google gebruikt Core Web Vitals (LCP, INP en CLS) en baseert die op veldgegevens van echte bezoekers, niet op een losse test vanaf één server. Een groene score in Pingdom en tegelijk rode Core Web Vitals in Search Console is heel goed mogelijk.
Gebruik dus PageSpeed Insights en het Core Web Vitals-rapport in Search Console om te bepalen of je snelheid volgens Google in orde is. Gebruik Pingdom om te achterhalen wélk bestand het probleem veroorzaakt.
Praktische tips
- Kies een testlocatie die past bij je publiek. Meten vanuit de Verenigde Staten voor een Nederlandse site geeft een vertekend beeld.
- Test twee keer. De eerste keer meet je ook een koude cache.
- Kijk niet alleen naar de homepage. Een productpagina of blog met veel afbeeldingen is meestal het echte probleem.
Alternatieven met vergelijkbare waterval-analyse zijn GTmetrix en WebPageTest. Wil je weten of snelheid jouw posities daadwerkelijk in de weg zit, laat dan een SEO-scan uitvoeren.
Lazy loading is een techniek waarbij afbeeldingen en iframes pas worden gedownload op het moment dat de bezoeker er bijna naartoe scrolt, in plaats van meteen bij het openen van de pagina. Alles wat onder de vouw staat, wacht dus met laden tot het nodig is.
Waarom het helpt
Een bezoeker die je homepage opent, ziet in het eerste scherm misschien twee afbeeldingen. Als de browser bij het laden meteen alle 30 afbeeldingen van de pagina ophaalt, concurreren die met de bestanden die hij wél direct nodig heeft. Het gevolg is een tragere pagina en een slechtere LCP, één van de Core Web Vitals waar Google op meet.
Concreet: een categoriepagina van een webshop met 48 productfoto’s waarvan er 6 in beeld staan. Met lazy loading haalt de browser er bij het openen 6 op in plaats van 48. Dat scheelt al snel enkele megabytes op de eerste weergave.
Hoe je het aanzet
Sinds een paar jaar kan het gewoon in HTML, zonder JavaScript: loading=”lazy” op je img- of iframe-tag. WordPress voegt dit sinds versie 5.5 standaard toe aan afbeeldingen in de content. Je hebt er dus zelden nog een plugin voor nodig.
De fout die bijna iedereen maakt
Lazy loading op de hero-afbeelding. Dat is precies de afbeelding die direct in beeld staat en die meestal je LCP-element is. Door hem lazy te maken, laat je de browser wachten met het bestand dat het zwaarst meetelt. Je snelheidsscore gaat er dan op achteruit in plaats van vooruit.
De regel is simpel: alles boven de vouw krijgt loading=”eager”, en bij de hero ook fetchpriority=”high”. Alles daaronder krijgt lazy.
Andere valkuilen
- Lazy loading via JavaScript waarbij de echte bron in een data-src staat. Werkt de scriptlaadvolgorde niet mee, dan ziet Google een lege afbeelding en gaat je afbeeldingszoekverkeer eraan.
- Geen width en height op de img-tag. De browser weet dan niet hoeveel ruimte hij moet reserveren, de pagina springt bij het scrollen en je CLS loopt op.
- Iframes vergeten. Een ingesloten YouTube-video of Google Maps kost al snel honderden kilobytes. Daar valt de meeste winst te halen.
Twijfel je of het op jouw site goed staat, dat komt uit een SEO-scan zo naar boven.
Een inkomende link is elke link die naar jouw pagina wijst. Komt hij van een andere website, dan noemen we het een backlink. Komt hij van een andere pagina op je eigen site, dan is het een interne inkomende link. Beide vertellen zoekmachines hetzelfde: deze pagina is de moeite waard, en dit is waar hij over gaat.
Externe inkomende links
Dit zijn de links waar de meeste aandacht naartoe gaat. Ze werken als een aanbeveling van buitenaf. Hoe relevanter de site en hoe natuurlijker de plaatsing, hoe zwaarder de link telt. Een vermelding op de dealerpagina van je leverancier is meer waard dan tien links vanaf blogs die niets met jouw vak te maken hebben.
Interne inkomende links, het vergeten stuk
Hier ligt bij de meeste sites de snelste winst, en het kost je geen enkele onderhandeling. Interne links bepalen mee welke pagina’s Google als de belangrijkste van je site ziet en welke pagina’s überhaupt gevonden worden.
Een pagina zonder enkele interne inkomende link heet een orphan page. Die staat wel in je sitemap, maar nergens in je site. Crawlers komen er nauwelijks en de pagina blijft hangen.
Een voorbeeld dat je overal tegenkomt: een dienstpagina die alleen vanuit het hoofdmenu wordt gelinkt. Eén interne link, terwijl het de pagina is waar je geld mee verdient. Je concurrent verwijst vanuit acht blogartikelen met een beschrijvende ankertekst naar zijn versie. Dat verschil zie je terug in de posities. De oplossing is een middag werk: ga je bestaande content langs en link vanuit elke relevante alinea naar de dienstpagina waar die tekst over gaat.
Hoe je ze in kaart brengt
- Search Console, rapport Links. Daar zie je zowel externe als interne links, met per pagina het aantal.
- Een crawl van je site met een tool als Screaming Frog toont welke pagina’s nul of één interne link krijgen.
- Kijk naar de ankertekst. “Klik hier” en “lees meer” vertellen Google niets. Beschrijvende teksten wel.
Waar te beginnen
Repareer eerst je interne linkstructuur, want dat kun je zelf en het werkt meteen. Pas daarna investeer je in externe links. Voor dat laatste kun je terecht bij linkbuilding uitbesteden, en welke pagina’s van jou nu ondergelinkt zijn zie je in een SEO-scan.
SEO-ondersteuning is de samenwerkingsvorm waarbij jij of je team het werk grotendeels zelf uitvoert, en een specialist meekijkt, prioriteert en bijstuurt. Je koopt geen uren uitvoering in, je koopt richting en controle. Voor bedrijven die zelf al een marketeer of webbouwer in huis hebben, is dat vaak de goedkoopste manier om vooruit te komen.
Wanneer ondersteuning genoeg is
Ondersteuning werkt als er iemand is die het werk daadwerkelijk kan doen. Iemand die teksten schrijft, iemand die aan de site kan sleutelen, of allebei in één persoon. Wat er meestal ontbreekt is niet de capaciteit, maar het antwoord op de vraag “waar begin ik, en waar niet aan”. Dat is precies waar iemand met ervaring het verschil maakt: hij haalt de twintig dingen die niets opleveren van je lijst af.
Wanneer uitbesteden logischer is
Heb je niemand die de uren heeft of de techniek beheerst, dan wordt ondersteuning een lijst met adviezen die niet wordt uitgevoerd. Dan kun je beter kijken naar SEO uitbesteden, waarbij het werk zelf ook uit handen gaat.
Wat “duurzaam” hier betekent
Duurzaam betekent: werk dat over een jaar nog staat. Geen ingekochte linkpakketten die er bij de volgende update uitvliegen. Geen honderden pagina’s automatisch gegenereerde tekst waar Google inmiddels hard op handhaaft. Geen keyword-trucs. Wat overblijft is minder spectaculair en veel betrouwbaarder: een site die technisch klopt, pagina’s die een vraag echt beantwoorden, en links die je hebt verdiend.
Hoe zo’n traject loopt
- Nulmeting. Waar sta je, waar liggen de blokkades, welke pagina’s zitten dicht bij de eerste pagina?
- Roadmap. Een geprioriteerde lijst met wat je eerst doet, met een inschatting van tijd en effect.
- Maandelijkse sessie. Doornemen wat er gedaan is, wat de cijfers zeggen, en wat er de komende maand op de lijst staat.
- Meetpunten. Niet posities alleen, maar aanvragen en omzet uit organisch verkeer.
Praktisch
We werken zonder jaarcontract, per maand opzegbaar. Een vast bezoekadres hebben we niet, we komen naar je toe. Dat doen we in Rotterdam, Schiedam, Vlaardingen, Capelle aan den IJssel, Barendrecht en Spijkenisse. Onze SEO-pakketten laten zien wat er in welke vorm zit.
Organisch verkeer is het bezoek dat via de onbetaalde zoekresultaten op je website komt: iemand typt een zoekopdracht in Google of Bing, klikt op jouw link tussen de gewone resultaten, en daar betaalt niemand voor. Alles wat via advertenties, social media, e-mail of een directe intypte URL binnenkomt, telt niet mee.
Hoe je het meet
In GA4 vind je het onder het kanaal Organic Search. In Search Console kijk je naar het aantal klikken. Die twee cijfers zijn nooit gelijk, en dat is normaal. Search Console telt elke klik in de zoekresultaten. GA4 telt pas een sessie als de bezoeker de pagina laadt en, afhankelijk van je cookiebanner, toestemming geeft. Een verschil van tientallen procenten is niets bijzonders. Kies één bron voor je rapportage en blijf daarbij.
Waarom het waardevoller is dan ander verkeer
Iemand die zoekt, heeft een vraag en zoekt actief naar een antwoord. Je onderbreekt hem niet, hij komt naar je toe. Datzelfde aantal bezoekers uit organisch zoekverkeer levert daarom bijna altijd meer aanvragen op dan hetzelfde aantal uit een social-campagne. Daar komt bij dat het verkeer niet stopt zodra je stopt met betalen.
De valkuil: verkeer is geen doel
Totaal organisch verkeer is de meest misleidende KPI die er is. Twee voorbeelden van dezelfde site:
- 5.000 bezoekers per maand op informatieve artikelen als “wat is een warmtepomp”. Interessant, maar bijna niemand vraagt daar een offerte aan.
- 200 bezoekers per maand op “warmtepomp laten installeren prijs”. Dat zijn de aanvragen.
Een rapport dat trots meldt dat het organische verkeer met 40 procent is gestegen, terwijl het aantal aanvragen gelijk bleef, laat zien dat er hard is gewerkt aan de verkeerde pagina’s.
Wat je wel moet volgen
Splits je organische verkeer op. Merkverkeer (mensen die je bedrijfsnaam intypen) hoort apart, want dat groeit mee met je offline bekendheid en zegt niets over je SEO. Kijk daarna per landingspagina naar bezoekers én conversies. Pagina’s met veel bezoek en nul conversies vragen om een andere pagina, niet om meer verkeer.
Wil je weten welke pagina’s op jouw site het meeste organische potentieel hebben, vraag dan een gratis SEO-scan aan of leg het voor aan een SEO-specialist.
Ahrefs is een SEO-tool met een eigen crawler en een eigen index van het web, die je gebruikt voor zoekwoordonderzoek, backlinkanalyse, concurrentieonderzoek en technische controles. Het pakket is groot en niet goedkoop, en de meeste gebruikers benutten er een klein deel van. Dit zijn de onderdelen die in de praktijk het werk doen.
Site Explorer: wat doet een domein
Voer een domein in en je ziet het organische verkeer, de zoekwoorden waarop het staat en het linkprofiel. Voor je eigen site is dat interessant, maar de echte winst zit bij je concurrenten. Zet drie of vier partijen die boven je staan in het Content Gap-rapport en Ahrefs geeft je de zoekwoorden waarop zij scoren en jij niet. Dat is een concrete lijst met pagina’s die je nog mist, geen brainstorm.
Let op het verschil tussen organisch verkeer zoals Ahrefs dat toont en je werkelijke bezoekcijfers. Het is een schatting, afgeleid van geschatte zoekvolumes en geschatte klikratio’s per positie. Voor vergelijkingen tussen sites prima bruikbaar, als absoluut getal niet.
Keywords Explorer: onderzoek dat verder gaat dan volume
Je krijgt per zoekterm het zoekvolume, een moeilijkheidsscore en een schatting van hoeveel mensen daadwerkelijk doorklikken. Die laatste twee zijn belangrijker dan het volume zelf.
- Keyword Difficulty is gebaseerd op het aantal verwijzende domeinen naar de pagina’s in de top 10. Het zegt iets over links, niet over de kwaliteit van de content. Een lage score op een term waar tien sterke merken op staan, is nog steeds moeilijk.
- Clicks laat zien hoeveel klikken er echt uit een zoekterm komen. Bij vragen die Google zelf bovenaan beantwoordt, is dat een fractie van het zoekvolume. Een term met 3.000 zoekopdrachten en bijna geen klikken is een slechte investering.
- Parent Topic vertelt of je term een eigen pagina verdient of thuishoort in een bredere pagina. Dat voorkomt dat je vijf artikelen schrijft die elkaar beconcurreren.
Site Audit: de technische controle
Ahrefs crawlt je site en levert een lijst met problemen: kapotte links, ontbrekende titels, dubbele beschrijvingen, ketens van redirects, pagina’s zonder interne links. Behandel die lijst niet als een afvinklijst. De health score omhoog krijgen levert je geen bezoekers op. Zoek in de resultaten naar de punten die indexering of gebruikers raken, en negeer de rest.
Backlinks en het gebruik van Domain Rating
Domain Rating, of DR, is de score van Ahrefs voor de sterkte van een linkprofiel op een schaal van 0 tot 100. Het is een cijfer van Ahrefs, niet van Google. Google gebruikt het niet en kent het niet. Het is bruikbaar om links onderling te vergelijken en om overduidelijke rommel eruit te filteren, en meer ook niet.
Hier gaat het in de praktijk het vaakst mis. Iemand koopt een link op een site met DR 60, ziet zijn posities niet bewegen en snapt er niets van. De site bleek een verzameling ongerelateerde artikelen te zijn met nul bezoekers, waarvan het hoge cijfer stamde uit één oude link van een nieuwssite. Controleer daarom altijd het organische verkeer van de linkende pagina en of het onderwerp bij jou past. Een link van een relevante site met DR 20 die echt gelezen wordt, verslaat een link van een leeg domein met DR 60.
Heb je Ahrefs nodig?
Voor een enkele website met een paar dienstenpagina’s niet. Google Search Console geeft je gratis de zoekwoorden waarop je gevonden wordt, en dat is voor de meeste ondernemers een beter startpunt, omdat het echte data is in plaats van een schatting. Ahrefs verdient zich terug zodra je structureel content maakt, aan linkbuilding doet of meerdere sites beheert. Zit je daar nog niet, steek je budget dan liever in de content zelf. Twijfel je waar je staat? Een SEO-scan laat zien wat er wel en niet uit je huidige website te halen valt, en wij kunnen je ook helpen als je SEO wilt uitbesteden.
Toegankelijkheid betekent dat je website bruikbaar is voor iedereen, ook voor iemand die een screenreader gebruikt, niet met een muis kan werken of kleuren slecht onderscheidt. Toegankelijkheid is geen directe ranking-factor bij Google, maar de maatregelen die je ervoor neemt overlappen zo sterk met wat zoekmachines nodig hebben dat je ze in de praktijk niet los kunt zien.
Waar ze elkaar raken
Een screenreader en een crawler hebben hetzelfde probleem: allebei zien ze geen plaatje, allebei lezen ze de code. Wat je voor de één oplost, los je meestal voor de ander mee op.
- Semantische HTML. Eén h1, daaronder een logische h2- en h3-structuur. Een screenreader navigeert daarop, Google leidt er de opbouw van je pagina uit af.
- Alt-teksten. Voor een blinde bezoeker de enige manier om te weten wat er op de foto staat. Voor Google de manier om je afbeelding te indexeren.
- Beschrijvende ankerteksten. “Lees meer” is voor beide waardeloos. “Bekijk onze SEO-pakketten” is voor beide bruikbaar.
- Ondertitels en transcripties. Video’s zijn voor niemand leesbaar, ook niet voor een zoekmachine. Een transcript maakt de inhoud indexeerbaar en toegankelijk in één keer.
- Formulierlabels. Een veld zonder label is voor een screenreader een leeg vak. Voor je conversie ook.
Een concreet voorbeeld
Een knop die is gebouwd als <div onclick=”…”>Offerte aanvragen</div> ziet er voor een ziende bezoeker met een muis prima uit. Een screenreader herkent het niet als knop, iemand die met het toetsenbord navigeert kan er niet bij, en Google volgt het niet als link. Maak er een echte <a href> of <button> van en drie problemen zijn tegelijk opgelost.
Wat níet helpt
ARIA-labels zijn nuttig voor toegankelijkheid, maar leveren geen posities op. Overlay-widgets die beloven je site met één regel JavaScript toegankelijk te maken, lossen de onderliggende code niet op en voegen voor SEO helemaal niets toe. En een groene score in een geautomatiseerde toegankelijkheidstool betekent niet dat je site bruikbaar is.
Het is niet alleen vrijwillig
Sinds 28 juni 2025 stelt de European Accessibility Act eisen aan de digitale toegankelijkheid van veel commerciële diensten, waaronder webshops en online dienstverlening. Overheidssites vielen al onder WCAG 2.1 AA. Toegankelijkheid is voor een groeiende groep bedrijven dus geen keuze meer.
Wil je weten waar het bij jou vastloopt, dan komt het meeste hiervan naar boven in een SEO-scan.
Tekstcompressie is het verkleinen van tekstbestanden zoals HTML, CSS, JavaScript, JSON en SVG op de server, voordat ze naar de browser worden gestuurd. De browser pakt ze aan de andere kant weer uit. Omdat code veel herhaling bevat, gaat er vaak 60 tot 80 procent van de bestandsgrootte af. Dat scheelt direct laadtijd, zeker op mobiel.
Gzip en Brotli
Er zijn twee methodes die er in de praktijk toe doen. Gzip bestaat het langst en wordt door elke browser ondersteund. Brotli is nieuwer, komt van Google en levert bij tekst meestal nog eens 15 tot 20 procent extra winst op ten opzichte van Gzip.
Het gaat automatisch. De browser stuurt bij elk verzoek een Accept-Encoding-header mee waarin staat wat hij aankan. De server antwoordt met een Content-Encoding-header en het gecomprimeerde bestand. Ondersteunt de browser niets, dan krijgt hij gewoon het originele bestand.
Hoe zet je het aan
- Apache: via mod_deflate (Gzip) of mod_brotli, in te stellen in de serverconfiguratie of via .htaccess.
- Nginx: gzip on plus de juiste mime-types, en de brotli-module als die beschikbaar is.
- CDN: Cloudflare en vergelijkbare diensten comprimeren standaard, ook als je eigen server het niet doet.
- Gedeelde hosting: vaak een schakelaar in het hostingpaneel, of iets wat je host op verzoek aanzet.
Controleren doe je met PageSpeed Insights (het punt “Enable text compression”) of met een curl-verzoek waarin je zelf een Accept-Encoding meestuurt en kijkt of er een Content-Encoding terugkomt.
Waar het misgaat
De klassieker: compressie staat aan voor HTML, maar de mime-type-lijst op de server bevat geen text/css en application/javascript. Je grootste bestanden gaan dan ongecomprimeerd de deur uit terwijl je testtool “compressie actief” meldt op de homepage. Een CSS-bestand van 300 kB dat 45 kB had kunnen zijn, kost je op een trage 4G-verbinding een halve seconde.
De tweede fout is afbeeldingen en video’s door de compressie halen. JPEG, PNG, WebP en MP4 zijn al gecomprimeerd. Ze nog eens door Gzip halen levert niets op en kost alleen processortijd op de server.
Twijfel je of dit op jouw site goed staat, dan zie je dat terug in een technische SEO-scan. Het is een van de goedkoopste snelheidswinsten die er zijn: je verandert geen letter aan je site en hij is meetbaar sneller.
User reviews zijn beoordelingen die klanten zelf achterlaten over een product, dienst of bedrijf, meestal een sterscore met een geschreven toelichting. Ze staan op je eigen site, op Google, op Trustpilot, op Bol of op een platform binnen je branche.
Waarom reviews meewegen
Voor Google is een review een signaal dat er echte klanten zijn en dat ze ergens over te spreken zijn. In de lokale zoekresultaten, het blok met de kaart en drie bedrijven, telt het aantal reviews en de gemiddelde score aantoonbaar mee in wie er getoond wordt. Voor webshops kunnen productreviews via schema.org sterren opleveren in het zoekresultaat, wat je klikpercentage flink omhoog trekt.
Het indirecte effect is minstens zo groot. Reviews leveren tekst op die jij niet had bedacht: klanten schrijven in hun eigen woorden en gebruiken zoektermen die jij nooit in je copy zou zetten. Ze verlagen ook de drempel om te bellen of te bestellen, en dat is uiteindelijk waar het om gaat.
Reviews verzamelen zonder trucs
- Vraag erom op het moment dat de klant tevreden is, niet drie maanden later.
- Stuur een directe link naar het reviewformulier, geen zoekopdracht met vijf stappen.
- Vraag iedereen, niet alleen de klanten waarvan je weet dat ze positief zijn. Alleen de blije klanten benaderen heet review gating en is tegen de regels van Google.
- Reageer op elke review, ook de vervelende. Een nette reactie op een klacht overtuigt vaak meer dan tien vijfsterrenreviews.
Wat er misgaat
Reviews kopen valt op. Twaalf beoordelingen in een week, allemaal vijf sterren, allemaal een voornaam zonder foto, allemaal twee regels lang. Google haalt die batches weg en in het ergste geval je hele bedrijfsprofiel.
De tweede fout is technisch: sterren in je zoekresultaat willen tonen op basis van reviews die je zelf op je eigen site hebt geplaatst zonder dat er een echte reviewer achter zit. Google heeft die zelfgemaakte reviewsterren voor bedrijven jaren geleden al uit de zoekresultaten gehaald.
Voor bedrijven die het van de omgeving moeten hebben, een tandarts, een garage, een restaurant, zijn reviews op je Google-bedrijfsprofiel het zwaarste onderdeel van lokale SEO. Zonder reviews sta je niet in het kaartblok, hoe goed je website ook is.
Zoekwoordkannibalisatie is de situatie waarin meerdere pagina’s van je eigen website op dezelfde zoekterm mikken, waardoor Google niet weet welke hij moet tonen. In plaats van één sterke pagina heb je er twee of drie die elkaar verzwakken: ze verdelen de interne links, de externe links en de relevantiesignalen over elkaar, en geen van allen komt echt bovenaan.
Hoe het ontstaat
Vrijwel altijd door groei zonder plan. Er staat al een dienstenpagina over “SEO-teksten schrijven”. Twee jaar later schrijft iemand een blog met de titel “Zo schrijf je goede SEO-teksten”, en een jaar later nog een over “SEO-teksten: waar let je op”. Alle drie behandelen ze hetzelfde onderwerp en mikken ze op dezelfde zoekopdracht. Niemand deed iets fout, er was alleen niemand die het overzicht hield.
In webshops komt het uit een andere hoek. Filter- en sorteer-URL’s, tags en categorieën die grotendeels hetzelfde assortiment tonen, leveren tientallen pagina’s op die om dezelfde zoekterm vechten.
Hoe je het herkent
De snelste controle kost een minuut. Zoek in Google op site:jouwdomein.nl gevolgd door je zoekterm en kijk hoeveel van je eigen pagina’s terugkomen die serieus op die term mikken. Staan er meerdere, dan is er een kans op kannibalisatie.
De betrouwbare controle doe je in Google Search Console. Ga naar het prestatierapport, filter op de zoekopdracht en zet daarna de weergave op pagina’s. Zie je dat er in de loop van de tijd verschillende URL’s op die ene zoekterm verschijnen, dus de ene week pagina A en de andere week pagina B, dan is Google aan het wisselen. Dat is het duidelijkste signaal dat er is: Google kan niet kiezen, dus kiest hij steeds opnieuw.
Let ook op posities die vastzitten rond plek 8 tot 15 terwijl je twee pagina’s over hetzelfde onderwerp hebt. Dat is vaak niet een zwakke pagina, maar twee halve.
Niet elke overlap is kannibalisatie
Twee pagina’s die dezelfde woorden bevatten, is geen probleem. Het gaat om de zoekintentie. Een pagina die uitlegt wat linkbuilding is, en een pagina waarop je linkbuilding kunt afnemen, dienen twee verschillende zoekopdrachten met twee verschillende bedoelingen. Die concurreren niet. Ga dus niet samenvoegen op basis van woordoverlap alleen, want dan sloop je content die prima werkt.
Zo los je het op
Er zijn vier oplossingen, in volgorde van voorkeur:
- Samenvoegen. Kies de sterkste pagina, meestal die met de meeste links en de beste positiegeschiedenis. Verplaats het bruikbare deel van de andere teksten daarheen en zet een 301-redirect van de oude URL’s naar de nieuwe. Dit is in de meeste gevallen het juiste antwoord.
- Herschrijven en scheiden. Wil je beide pagina’s houden, geef ze dan echt een ander doel. Trek de een naar informatie en de ander naar aanschaf, en pas de titels, koppen en interne links daarop aan.
- Interne links bijsturen. Verwijs met de ankertekst van je zoekterm consequent naar de pagina die moet winnen, en niet meer naar de andere. Dit alleen werkt zelden, maar het versterkt de eerste twee oplossingen.
- Canonicals of noindex. Voor filter- en tagpagina’s in webshops die je technisch niet kwijt kunt, is een canonieke verwijzing naar de hoofdcategorie de oplossing.
Voorkomen is minder werk
Houd een eenvoudige lijst bij waarin per pagina één primaire zoekterm staat. Voor je een nieuw stuk schrijft, controleer je die lijst. Bestaat de term al, dan verbeter je de bestaande pagina in plaats van er een nieuwe naast te zetten. Dat is bijna altijd het snellere pad naar een hogere positie, en het scheelt je een opruimactie over twee jaar. Wil je zo’n inventarisatie voor je hele site, dan zit die standaard in onze aanpak.
Het prestatierapport in Google Search Console laat zien op welke zoekopdrachten je website in Google verschijnt, hoe vaak mensen daarop klikken en op welke gemiddelde positie je staat. Het is de enige bron met echte Google-data over jouw site, en daarmee de belangrijkste rapportage die je hebt.
De vier statistieken
- Vertoningen: hoe vaak jouw pagina in de zoekresultaten is getoond.
- Klikken: hoe vaak er daadwerkelijk op is geklikt.
- CTR: klikken gedeeld door vertoningen.
- Gemiddelde positie: de gemiddelde plek waarop je pagina stond bij die vertoningen.
Die vier kun je uitsplitsen naar zoekopdracht, pagina, land, apparaat, zoektype (web, afbeeldingen, video, nieuws) en datum. Het vergelijken van twee periodes zit er ingebouwd.
Wat je er in de praktijk mee doet
Filter op pagina’s met veel vertoningen en een lage CTR. Dat zijn pagina’s die gezien worden maar niet aangeklikt. Bijna altijd sluit de titel of de meta-omschrijving niet aan bij wat de zoeker wil. Een pagina met 4.000 vertoningen en 0,6 procent CTR op positie 6 is geen rankingprobleem, het is een snippetprobleem, en dat los je in een uur op.
Filter daarnaast op zoekopdrachten waarop je tussen positie 8 en 15 staat. Dat is de zone waarin een paar interne links, wat extra diepgang in de tekst en een scherpere H2-structuur je vaak binnen weken de eerste pagina in duwen. Rankingwinst van 4 naar 3 levert veel minder op dan van 12 naar 8.
Waar mensen de mist in gaan
De gemiddelde positie is een gemiddelde van gemiddeldes. Een sprong van 14,2 naar 9,8 kan betekenen dat één zoekwoord hard gestegen is, of dat een reeks slecht scorende zoekwoorden gewoon geen vertoningen meer kreeg. Kijk er altijd doorheen op zoekwoordniveau.
Verder telt de som van je zoekopdrachten nooit op tot het totaal. Google laat zoekopdrachten weg die te weinig voorkomen om privacyredenen. Dat verschil kan oplopen tot tientallen procenten. En de data gaat maar 16 maanden terug: exporteer periodiek als je langer wilt vergelijken.
Wil je weten welke conclusies uit jouw rapport te trekken zijn, dan kijken we daarnaar in een gratis SEO-scan.
Een SEO-migratie is het geheel aan voorbereidingen en controles waarmee je organische posities en bezoekers vasthoudt terwijl een website ingrijpend verandert. Denk aan een verhuizing naar een nieuw domein, een andere URL-structuur, een overstap naar een ander CMS, een redesign of het samenvoegen van twee sites tot een.
Wat er op het spel staat
Google koppelt waarde aan URL’s, niet aan pagina’s zoals jij ze in je hoofd hebt. Een pagina die jarenlang links en vertrouwen heeft opgebouwd, verliest die waarde zodra de URL verdwijnt zonder dat de zoekmachine te horen krijgt waar de opvolger staat. Bij een slordige migratie zie je dat binnen enkele weken terug: posities zakken weg, het verkeer daalt en het kost maanden om terug te klimmen. Een goed voorbereide migratie geeft hooguit een tijdelijke schommeling.
Begin met een volledige inventarisatie
Voordat je iets aanraakt, leg je de oude situatie vast:
- Alle bestaande URL’s, via een crawl van de huidige site en je XML-sitemap.
- De URL’s die Google daadwerkelijk kent, uit Search Console en je serverlogs.
- Welke pagina’s verkeer, aanvragen en externe links opleveren.
- De huidige titels, meta descriptions, koppen en gestructureerde data.
- Een nulmeting van je posities op de zoekwoorden die er voor jou toe doen.
Die nulmeting is later je enige eerlijke maatstaf. Zonder die meting weet je na de livegang niet of het echt slechter gaat of dat je gevoel je parten speelt.
De redirectmapping is het hart van de operatie
Elke oude URL krijgt een nieuwe bestemming via een 301-redirect, een op een, naar de meest relevante opvolger. Alles naar de homepage sturen is de klassieke fout: Google leest dat als een verkapte 404 en de opgebouwde waarde verdampt.
Neem een webshop die overstapt van /product/12345 naar /hardloopschoenen/model-x. Die ene productpagina wijs je door naar die ene nieuwe productpagina. Bestaat het product niet meer, dan verwijs je naar de bijbehorende categorie, niet naar de voorpagina. Is er geen zinnige opvolger, geef dan gewoon een 410 terug.
Let ook op redirectketens. Als een oude http-URL eerst naar https gaat, daarna naar de www-variant en pas daarna naar de definitieve pagina, verlies je snelheid en crawlbudget. Kort elke keten in tot een enkele stap.
Wat er in de praktijk misgaat
- De site gaat live met de noindex-instelling van de testomgeving nog aan. Dit is de meest gemaakte blunder en blijft soms weken onopgemerkt.
- De robots.txt van de staging wordt meegekopieerd en blokkeert de hele site.
- Canonical tags wijzen nog naar het oude domein.
- Interne links verwijzen nog naar oude URL’s, waardoor elke klik door een redirect gaat.
- Tijdens het redesign wordt content ingekort omdat het mooier oogt, waarna pagina’s hun onderwerp kwijt zijn.
Rond de livegang
Zet de migratie live op een rustig moment, niet op vrijdagmiddag en niet in je drukste week. Dien daarna direct de nieuwe sitemap in, gebruik bij een domeinwissel de adreswijziging in Search Console, en crawl de nieuwe site om te controleren of alle redirects werken en of er geen 404’s of ketens zijn ontstaan.
Houd vervolgens minstens drie maanden de indexdekking, de posities en het organische verkeer in de gaten. Een dip in de eerste weken is normaal. Blijft het verkeer na een maand fors achter, dan zit de fout in de redirects, de indexering of de content. Twijfel je over de aanpak, laat dan vooraf een SEO-scan uitvoeren of leg de begeleiding bij een SEO specialist. Achteraf repareren kost altijd meer dan vooraf goed voorbereiden.
De eerlijke vuistregel: de eerste beweging in je posities zie je na twee tot drie maanden, en serieus verkeer dat iets oplevert na zes tot twaalf maanden. Wie je een top-3-positie belooft binnen vier weken, verkoopt je iets anders dan SEO.
Waar die tijd in gaat
Google moet je nieuwe of aangepaste pagina’s eerst opnieuw crawlen en indexeren. Dat kan dagen duren, op een verwaarloosde site weken. Daarna moet het algoritme bepalen of jouw pagina beter aansluit bij de zoekvraag dan de tien pagina’s die er al staan. Die tien staan er niet toevallig: ze hebben links, ze hebben ouderdom, ze hebben gebruikssignalen. Dat haal je niet in met één blog.
Een deel van de tijd zit ook in het rijpen van content. Een pagina komt vaak binnen op positie 30 tot 50, kruipt naar 15, blijft daar even hangen en breekt dan door zodra er wat interne links en externe verwijzingen naartoe wijzen.
Wat het sneller of langzamer maakt
- Domeinleeftijd en linkprofiel: een bestaand domein met autoriteit ziet resultaat in weken, een gloednieuw domein niet.
- Concurrentie: “advocaat arbeidsrecht” is een ander gevecht dan “kapotte ritssluiting jas repareren”.
- Technische staat: als de helft van je pagina’s niet geïndexeerd is, begint het werk daar en niet bij content.
- Hoeveelheid werk: vier uur per maand en vierentwintig uur per maand geven niet hetzelfde tempo.
Wat je in de tussentijd wel kunt zien
Verkeer is een late indicator. Kijk eerder naar het aantal vertoningen in Search Console (stijgt dat, dan word je op meer zoekopdrachten getoond), naar het aantal geïndexeerde pagina’s en naar posities die van 40 naar 20 schuiven. Dat zijn de signalen die twee maanden vóór het verkeer bewegen.
Wij werken zonder jaarcontract, per maand opzegbaar. Dat is niet toevallig: als het na een half jaar niets doet, moet je weg kunnen. Meer dan 50 websites gingen zo naar de eerste pagina van Google. Hoe wij dat aanpakken lees je op onze aanpakpagina, en wat het kost staat bij de SEO-pakketten.
Blogger is het gratis blogplatform van Google, te herkennen aan adressen op blogspot.com. Het bestaat sinds 1999, kwam in 2003 in handen van Google en draait nog steeds. Het woord “blogger” wordt daarnaast gebruikt voor de persoon die een blog schrijft, wat in SEO vooral opduikt in de context van samenwerkingen en links.
Wat je met het platform kunt
Je maakt binnen tien minuten een blog aan, zonder hosting en zonder kosten. De basisinstellingen voor vindbaarheid zitten erin: je kunt per bericht een meta-omschrijving invullen, je kunt de permalink handmatig aanpassen, er wordt een XML-sitemap gegenereerd en je kunt een aangepaste robots.txt en header-tags instellen. Een eigen domein koppelen kan ook, en dat zou je altijd moeten doen. Een subdomein op blogspot.com bouw je op voor Google, niet voor jezelf.
Waar het vastloopt
- Geen plugins. Alles wat verder gaat dan de standaard, bouw je zelf in het template of het gebeurt niet.
- Geen fatsoenlijk redirect-beheer. Een URL wijzigen betekent handwerk of een dood adres.
- Beperkte sitestructuur. Je werkt met labels, geen echte hiërarchie van categorieën en subpagina’s. Voor een inhoudelijke silo-opbouw is dat te dun.
- Weinig grip op laadtijd en templatecode.
- Je bent volledig afhankelijk van Google. Wat Google gratis aanbiedt, kan Google ook stopzetten.
Voor een hobbyblog of een schrijfoefening is dat allemaal prima. Voor een bedrijfssite die klanten moet opleveren is het te krap. Een zelfgehoste WordPress-site kost een paar tientjes per jaar en geeft je alle controle die je bij Blogger mist.
Bloggers als linkbron
De andere betekenis: samenwerken met bloggers in je vakgebied. Een blogger die jouw product test of jouw expertise aanhaalt, levert een redactionele link op vanaf een site met een echt publiek. Dat werkt, mits het echt is. Vijftig bloggers hetzelfde stukje tekst met dezelfde ankertekst laten plaatsen is geen samenwerking maar een linknetwerk, en dat herkent Google.
Zoek naar blogs die daadwerkelijk gelezen worden, bied iets van waarde (een product, data, een verhaal) en accepteer dat je niet kunt dicteren wat er geschreven wordt. Meer daarover op de pagina over linkbuilding uitbesteden.
SEO-hulp is externe ondersteuning bij het vindbaar maken van je website, van een eenmalig advies tot het volledig uit handen geven. Wat je nodig hebt hangt af van wat je zelf al kunt en hoeveel tijd je hebt, niet van wat een bureau het liefst verkoopt.
Vormen van hulp
- Een audit: iemand kijkt de site door, benoemt wat er kapot is en in welke volgorde het opgelost moet worden. Je voert het zelf uit.
- Losse consultancy: een vast aantal uren per maand voor advies, sparren en meekijken, terwijl jouw marketeer of bouwer het werk doet.
- Volledig uitbesteden: techniek, content en links liggen bij het bureau, jij levert kennis van je vak en beslist mee.
Waar de snelheid vandaan komt
Op de meeste sites die al even bestaan, ligt de eerste winst niet in nieuwe content maar in wat er al is. Pagina’s die op positie 11 tot 20 staan hebben Google al overtuigd, ze missen alleen het laatste zetje. Titels die niet aansluiten op de zoekvraag. Interne links die ontbreken. Een oude pagina en een nieuwe pagina die om hetzelfde zoekwoord vechten. Een technische blokkade waardoor een derde van je site niet geïndexeerd is.
Dat soort ingrepen kost weinig tijd en beweegt binnen weken. Nieuwe content bouwen duurt maanden. Een goede SEO-hulp begint daarom altijd met kijken, niet met schrijven.
Waar je op let bij het kiezen
Vraag naar concrete voorbeelden van sites die gestegen zijn en naar wat er precies is gedaan. Vraag of je bij een opzegging je content, je toegang en je rapportages houdt. En kijk of het bureau zichzelf kan vinden: wij staan zelf organisch op nummer 1 in Google voor “SEO Rotterdam”, een zoekterm waar zo’n 1.900 keer per maand op gezocht wordt. Dat is geen bewijs dat wij het bij jou ook redden, maar wel dat we het spel spelen dat we verkopen.
Wat er misgaat: jaarcontracten waar je niet uit komt, maandrapportages zonder onderliggend werk, en links uit netwerken die je site later opbreken. Wij werken zonder jaarcontract, per maand opzegbaar.
Wil je eerst weten wat er te winnen valt, begin dan met een gratis SEO-scan. Wil je het meteen uit handen geven, kijk dan bij SEO uitbesteden.
Een auteurspagina is de pagina waarop staat wie een artikel geschreven heeft en waarom die persoon er verstand van heeft. Binnen E-E-A-T (Experience, Expertise, Authoritativeness, Trust) is dat de plek waar je de mens achter de content aantoonbaar maakt in plaats van te beweren dat je expert bent.
Wat er op zo’n pagina hoort
- Een echte naam en een echte foto. Geen stockbeeld, geen “Redactie”.
- Wat deze persoon doet en hoelang al. Concreet: functie, aantal jaren, waar eerder gewerkt.
- Waarmee de expertise onderbouwd is: opleiding, certificering, lidmaatschap, gepubliceerd werk, sprekersoptredens.
- Ervaring, niet alleen kennis. De eerste E van E-E-A-T gaat over zelf gedaan hebben. Iemand die tien jaar webshops beheerde, schrijft anders over conversie dan iemand die erover las.
- Links naar profielen waar de persoon te verifiëren is: LinkedIn, X, een vakregister.
- Een overzicht van de artikelen van deze auteur, zodat het geheel navigeerbaar is.
De techniek eronder
Zet Person-schema in JSON-LD op de auteurspagina, met name, jobTitle, description en een sameAs-array die naar de externe profielen wijst. Koppel elk artikel via de author-eigenschap aan diezelfde Person-entiteit, met dezelfde URL. Zo weet Google dat het artikel, de auteursbox en het LinkedIn-profiel over dezelfde persoon gaan.
Zet onder elk artikel een auteursbox met foto, één regel bio en een link naar de auteurspagina. En zorg dat de auteurspagina zelf indexeerbaar is. Veel CMS’en zetten auteurarchieven standaard op noindex, waarmee je precies het bewijs verstopt dat je wilde laten zien.
Wat er misgaat
Verzonnen auteurs met een AI-gegenereerde foto en een bio vol vage superlatieven. Dat is precies wat Google’s kwaliteitsbeoordelaars leren herkennen. Een tweede klassieker: één auteur voor 400 artikelen over twaalf totaal verschillende onderwerpen. Dat is geen expertise, dat is een contentfabriek.
Voor onderwerpen waar geld of gezondheid aan hangt, een hypotheekadviseur, een fysiotherapeut, een verzekeraar, weegt dit het zwaarst. Daar is een naamloos artikel over “de 7 voordelen van X” zonder aanwijsbare auteur simpelweg niet genoeg om boven de gevestigde partijen uit te komen.
Een technische SEO-analyse controleert of zoekmachines je website kunnen vinden, crawlen, renderen en indexeren, en of de site snel en stabiel genoeg is om mee te doen. Het gaat niet over teksten of links, maar over het fundament daaronder.
Stap 1: crawl de site zoals Google dat doet
Zet een crawler als Screaming Frog of Sitebulb op je domein en laat hem alle URL’s aflopen. Wat je uit die crawl haalt:
- Statuscodes: 404’s, 500’s, en vooral redirectketens (A verwijst naar B verwijst naar C).
- Canonicals: verwijst elke pagina naar zichzelf, of naar iets anders?
- Titels, meta-omschrijvingen en H1’s: ontbrekend, dubbel of afgekapt.
- Noindex- en nofollow-tags op plekken waar ze niet horen.
- De klikdiepte: hoeveel klikken vanaf de homepage is een pagina bereikbaar? Alles dieper dan vier klikken krijgt weinig aandacht.
Stap 2: vergelijk met wat Google écht heeft
Open het pagina-indexeringsrapport in Google Search Console. Daar staat hoeveel van je pagina’s zijn geïndexeerd en waarom de rest niet. “Gecrawld, momenteel niet geïndexeerd” betekent meestal dat Google de pagina te dun of te dubbel vindt. “Ontdekt, momenteel niet geïndexeerd” wijst op crawlbudget of interne links die ontbreken.
Leg dat naast je XML-sitemap en je robots.txt. Staan er pagina’s in je sitemap die op noindex staan? Blokkeer je per ongeluk je CSS- of JS-map, waardoor Google je pagina niet kan renderen?
Stap 3: snelheid, rendering en duplicaten
Kijk naar de Core Web Vitals in de veldgegevens van Search Console, niet alleen naar de labtest van PageSpeed Insights. Controleer bij een JavaScript-zware site of de content ook in de gerenderde HTML zit. En jaag op duplicaten: filters en sorteerparameters in webshops zijn de grootste bron. Een winkel met vier kleurfilters en drie sorteeropties genereert al snel duizenden bijna identieke URL’s die allemaal crawlbudget opeten.
Wat er misgaat
De meest gemaakte fout is een tool-rapport van 300 punten van boven naar beneden afwerken. Een ontbrekende alt-tekst en een noindex op je hele blog staan dan naast elkaar alsof ze even zwaar wegen. Sorteer op impact: eerst wat indexatie blokkeert, dan wat kracht verspilt, dan cosmetica.
De tweede is de livegang. Een ontwikkelomgeving die met noindex draait en waarvan die tag bij de lancering niet verwijderd wordt, kost je maanden. Controleer dat op dag één. Wil je zo’n analyse door ons laten doen, dan begint dat met een gratis SEO-scan.
Hreflang is een stukje code waarmee je zoekmachines vertelt welke taal- en landversie van een pagina voor welke bezoeker bedoeld is. Heb je dezelfde pagina in het Nederlands, Engels en Duits, dan zorgt hreflang ervoor dat een Duitse zoeker de Duitse versie in de resultaten krijgt en niet de Nederlandse.
Hoe het eruitziet
Je kunt het op drie plekken kwijt: als link-elementen in de head van je pagina, in je XML-sitemap, of als HTTP-header (nodig voor PDF’s en andere niet-HTML-bestanden). Kies er één en meng ze niet. Bij een grote site is de sitemap-variant het makkelijkst te beheren, want dan zit alles op één plek.
De taalcode volgt ISO 639-1 (nl, de, fr). Wil je ook een land aangeven, dan plak je daar een landcode uit ISO 3166-1 Alpha 2 achter: nl-be voor Nederlands in België, nl-nl voor Nederlands in Nederland. Andersom mag niet: be-nl bestaat niet. En een landcode zonder taalcode kan niet.
De regels waar het op stukloopt
- Wederkerigheid: als de Nederlandse pagina naar de Duitse verwijst, moet de Duitse terug verwijzen naar de Nederlandse. Ontbreekt die tegenverwijzing, dan negeert Google de hele set.
- Zelfverwijzing: elke pagina moet ook een hreflang naar zichzelf hebben.
- Volledige URL’s: inclusief https en domein. Relatieve paden werken niet.
- x-default: de versie voor iedereen die niet in een van je varianten past, bijvoorbeeld een taalkeuzepagina of je Engelse site.
- Canonical: elke taalversie moet naar zichzelf canonicaliseren. Een canonical van de Belgische naar de Nederlandse pagina wist je hreflang-signaal meteen uit. Dit is de fout die het vaakst voorkomt.
Een concreet geval
Een webshop verkoopt in Nederland en België. De teksten zijn identiek Nederlands, alleen de prijzen en verzendkosten verschillen. Zonder hreflang ziet Google twee bijna identieke pagina’s, kiest er één en gooit de andere uit de index. Met nl-nl, nl-be en een x-default blijven beide staan en krijgt de Belgische bezoeker de Belgische prijs te zien. Precies daarvoor is hreflang gemaakt: niet om dubbele content te verstoppen, maar om Google te laten kiezen tussen versies die allebei mogen bestaan.
Controleren doe je met een crawler die de wederkerigheid nakijkt. Handmatig één pagina bekijken zegt niets, want de fout zit bijna altijd aan de andere kant.
Je homepagina is bijna altijd de pagina met de meeste inkomende links en dus de meeste autoriteit van je hele site. Wat je daarmee doet, bepaalt hoeveel kracht de rest van je pagina’s krijgt. Een homepage die alles tegelijk probeert te zijn, geeft niets door.
Waar je homepage wél op moet ranken
Op je merknaam, altijd. En op de allerbreedste omschrijving van wat je doet, mits die niet in de weg zit van een dienstpagina. Een installatiebedrijf mag met de homepage mikken op “installatiebedrijf Rotterdam”, maar niet ook nog op “warmtepomp installateur”, want daar heb je een dienstpagina voor.
Dat is de belangrijkste keuze: één zoekintentie per pagina. Zodra je homepage en je dienstpagina op hetzelfde zoekwoord jagen, gaat Google zelf kiezen welke hij toont, wisselt hij daartussen, en zakken ze allebei. Dat heet keyword-kannibalisatie en het is op driekwart van de sites die we zien aanwezig.
Wat erop moet staan
- Eén H1 die in gewone taal zegt wat je doet en voor wie. Niet je bedrijfsnaam, niet je logo, niet “Welkom”.
- Echte tekst, niet alleen een slider met drie woorden. Google moet ergens uit kunnen opmaken waar dit bedrijf over gaat.
- Links naar je belangrijkste dienstpagina’s, met een ankertekst die het zoekwoord bevat. Dit is het krachtigste interne-link-instrument dat je hebt.
- Organization- of LocalBusiness-schema met je naam, adres, telefoonnummer en sociale profielen.
- Snelheid. De homepage is voor de meeste bezoekers de eerste indruk en vaak de zwaarste pagina, met hero-video’s en sliders.
Wat er in de praktijk misgaat
De homepage wordt volgepropt met alle diensten, alle plaatsnamen en alle USP’s, in de hoop dat hij op alles rankt. Het gevolg is dat hij nergens sterk genoeg voor is en dat de dienstpagina’s die het echte werk moeten doen, nooit genoeg interne links krijgen.
De andere fout: een homepage vol mooie beelden zonder één zin tekst. Prachtig portfolio, geen enkele reden voor Google om hem te tonen. Wij kijken bij een SEO-scan standaard of je homepage en je dienstpagina’s elkaar niet in de weg zitten.
Lokale SEO voor organisaties met meerdere locaties betekent dat je per vestiging een eigen vindbaarheid opbouwt, in plaats van één landelijke pagina te laten opdraaien voor alle plaatsen. Google toont in het kaartblok bedrijven die dichtbij de zoeker zitten en die daar aantoonbaar gevestigd zijn. Zonder een echte, aanwijsbare aanwezigheid kom je er niet in.
Eén pagina per vestiging
Elke locatie krijgt een eigen URL onder een overzichtspagina, bijvoorbeeld /vestigingen/ met daaronder de losse locaties. Op zo’n pagina staat:
- Het echte adres, het echte lokale telefoonnummer en de openingstijden van díe vestiging.
- Routebeschrijving en parkeerinfo, en de wijken of gemeenten die vanuit hier bediend worden.
- De mensen die er werken, met foto. Dat is meteen het verschil met een gekopieerde pagina.
- Eigen foto’s van het pand, niet dezelfde stockfoto voor alle twaalf de locaties.
- LocalBusiness-schema met het adres en de coördinaten van deze vestiging.
Dat is werk, en dat is het punt. Eén template waarin alleen de plaatsnaam wisselt, is precies wat Google een doorway page noemt. Die pagina’s ranken hooguit even en verdwijnen daarna.
Google-bedrijfsprofiel per locatie
Elke vestiging heeft een eigen, geverifieerd Google-bedrijfsprofiel dat naar de eigen locatiepagina linkt, niet naar de homepage. Reviews verzamel je per vestiging: een filiaal met twee reviews komt niet mee in de slipstream van een filiaal met tachtig.
Houd je NAP-gegevens (naam, adres, telefoon) exact gelijk over je website, je bedrijfsprofielen en externe vermeldingen. “Straat 12a” en “Straat 12 A” zijn voor jou hetzelfde en voor een algoritme niet.
Waar de grens ligt
Maak alleen locatiepagina’s voor plaatsen waar je echt zit of waar je aantoonbaar werkt. Wij bedienen bijvoorbeeld Rotterdam, Schiedam, Vlaardingen, Capelle aan den IJssel, Nissewaard en Barendrecht, en dat is te onderbouwen. Vijftig stadspagina’s maken voor gemeenten waar je nooit geweest bent, is de snelste manier om je hele site verdacht te maken.
Meer over hoe wij dit inrichten lees je bij lokale SEO.
PR, voluit public relations, is het opbouwen van bekendheid en vertrouwen via derden: pers, vakmedia, brancheorganisaties, podcasts en events. In SEO is PR de manier waarop je links en merkvermeldingen verdient in plaats van ze in te kopen.
Waar PR en SEO elkaar raken
Een link uit een redactioneel artikel op een nieuwssite of vakblad is het soort link dat je met een linkbuildingbudget niet zomaar koopt. Hij staat in echte tekst, op een pagina die gelezen wordt, op een domein dat Google al vertrouwt. Eén zo’n vermelding weegt vaak zwaarder dan tientallen gastblogs op sites die alleen bestaan om links te plaatsen.
Daarnaast tellen merkvermeldingen zonder link mee. Als je bedrijfsnaam op genoeg relevante plekken naast je vakgebied opduikt, gaat Google die twee dingen aan elkaar koppelen. En PR zorgt voor merkzoekopdrachten: mensen die je naam intypen omdat ze je ergens gelezen hebben. Dat is een van de sterkste signalen die er zijn en het is niet na te maken.
Wat werkt
- Eigen data. Cijfers uit je eigen administratie of een eigen enquête in je sector zijn nieuws. Journalisten hebben cijfers nodig en jij hebt ze.
- Een uitgesproken mening over een ontwikkeling in je vak. Neutraal is onciteerbaar.
- Beschikbaar zijn als expert. Reageer snel als een vakblad iemand zoekt die iets kan duiden.
- Lokale pers en brancheverenigingen. Kleiner bereik, maar veel makkelijker binnen te komen en vaak precies je doelgroep.
Wat niet werkt
Een persbericht rondsturen zonder nieuws. “Bedrijf X viert tienjarig jubileum” haalt geen enkele redactie. Ook niet: betaalde plaatsingen die als redactioneel worden gepresenteerd. Dat hoort volgens de regels een nofollow of sponsored link te krijgen, en veel van die zogenaamde PR-sites zijn gewoon linkfarms met een net jasje.
Een concreet voorbeeld van wat wel werkt: een installatiebedrijf dat zijn eigen orderdata over warmtepompen per kwartaal publiceert. Dat wordt overgenomen door een vakblad, dat vakblad linkt terug, en de branchevereniging citeert het cijfer een maand later opnieuw. Twee links en een vermelding, en geen euro aan een linkverkoper.
Hoe wij PR en linkbuilding combineren staat op de pagina over linkbuilding uitbesteden.
Screaming Frog is een crawler die je op je eigen computer draait en die je website afloopt zoals een zoekmachine dat doet: hij volgt de interne links en haalt per URL de statuscode, de titel, de meta description, de koppen, de canonical en de uitgaande links op. Alles komt in een doorzoekbare tabel.
Hoe de crawl werkt
Je geeft een startdomein op en de tool volgt vanaf daar elke interne link. Wat hij tegenkomt, komt in de lijst. Wat nergens vandaan gelinkt wordt, komt er niet in, en dat is op zich al informatie: die pagina’s zijn verweesd, geblokkeerd of alleen via een formulier bereikbaar.
De gratis versie crawlt tot 500 URL’s. Genoeg voor een kleine site. Voor grotere sites heb je de betaalde licentie nodig, en als je site de inhoud pas in de browser opbouwt met JavaScript, moet je de rendering aanzetten. Doe je dat niet, dan crawl je lege pagina’s en trek je verkeerde conclusies.
Waar je als eerste naar kijkt
- Statuscodes: 404’s, serverfouten en redirectketens.
- Titels en meta descriptions: ontbrekend, dubbel of afgekapt.
- Koppen: pagina’s zonder H1, of met vijf H1’s.
- Canonicals: wijzen ze naar zichzelf of stiekem naar een andere pagina?
- Indexeerbaarheid: welke URL’s staan op noindex of worden geblokkeerd door robots.txt?
- Interne links: welke belangrijke pagina’s krijgen nauwelijks interne links?
De kolom voor crawldiepte wordt vaak overgeslagen. Staat een categoriepagina op diepte vijf, dan heeft een bezoeker vijf klikken nodig vanaf de homepage. Dat zegt iets over je menu en je interne linkstructuur, niet over die ene pagina.
Koppel er echte data aan
Een crawl wordt pas bruikbaar als je er verkeersdata naast legt. Koppel Search Console en Analytics, dan zie je per URL de vertoningen, klikken en sessies in dezelfde tabel. Zo haal je de twee groepen eruit waar het om draait: pagina’s die technisch prima zijn maar niets opleveren, en pagina’s die ondanks een matige staat toch bezoekers trekken.
Waar het in de praktijk misgaat
De grootste valkuil is de meldingenlijst behandelen als een afvinklijst. Een crawl van een middelgrote webshop levert zo duizenden meldingen op en het merendeel doet er niet toe. Dubbele titels op gefilterde URL’s die toch al op noindex staan zijn geen probleem. Een ontbrekende meta description op een bedanktpagina ook niet.
Een vondst die er wel toe doet: je crawlt een webshop en komt uit op vierduizend URL’s, terwijl de sitemap er driehonderd bevat. Bij nader inzien zijn het bijna allemaal filtercombinaties, zoals /schoenen?kleur=zwart&maat=42 en honderden varianten daarop. Die URL’s kosten crawlbudget en concurreren met je echte categoriepagina. Daar zet je actie op.
Een tweede valkuil is de crawl draaien zonder na te denken over wat je te zien krijgt. Crawl je een site achter een inlog, of eentje die je IP-adres na tweehonderd verzoeken blokkeert, dan staat je tabel vol foutmeldingen die niets met SEO te maken hebben. Zet de crawlsnelheid dan lager en overleg met de hostingpartij voordat je conclusies trekt.
Wat de tool niet voor je doet
Screaming Frog vertelt je wat er op je site staat. Niet wat je moet schrijven, en niet waarom je concurrent boven je staat. Het is inspectiegereedschap, geen strategie. De interpretatie is het werk, en dat is precies het deel dat tijd kost.
Een werkbare volgorde: crawl eerst de site, filter op de meldingen die je omzet raken, los die op, en crawl daarna opnieuw om te controleren of het effect heeft. Draai die crawl vervolgens elk kwartaal, of na elke grote wijziging aan je website. Zo blijf je fouten voor in plaats van dat je ze maanden later ontdekt in je verkeerscijfers. Wil je die stap overslaan, vraag dan een gratis SEO-scan aan of overweeg je SEO uit te besteden.
Traffic is het verkeer op je website: het aantal bezoekers en sessies, en waar die vandaan komen. Het is de meest genoemde en tegelijk de meest overschatte cijferreeks in online marketing.
De kanalen
- Organisch: bezoekers die via de onbetaalde zoekresultaten binnenkomen. Dit is waar SEO op stuurt.
- Direct: mensen die je adres intypen of via een bladwijzer komen. In de praktijk ook de restbak voor verkeer dat niet herkend wordt.
- Referral: via een link op een andere site.
- Betaald: Google Ads en andere advertenties.
- Social en e-mail: vanuit sociale media en nieuwsbrieven.
Meten doe je met Google Analytics 4 (sessies en gebruikers) en Google Search Console (klikken vanuit de zoekresultaten). Die twee komen nooit exact overeen, en dat hoeft ook niet. GA4 mist bezoekers die cookies weigeren of een adblocker draaien, Search Console telt klikken en geen mensen. Gebruik ze voor trends, niet voor exacte getallen.
Meer verkeer is zelden het doel
Tweehonderd bezoekers per maand op “airco installateur laten komen” zijn meer waard dan vijfduizend op “hoe werkt een airco”. De eerste groep wil kopen, de tweede doet een spreekbeurt. Een SEO-rapport dat trots meldt dat het verkeer verdubbeld is, terwijl het aantal aanvragen gelijk bleef, laat zien dat er op het verkeerde gestuurd is.
Kijk daarom altijd naar traffic in combinatie met wat het oplevert: aanvragen, bestellingen, telefoontjes. Zoek per landingspagina uit hoeveel bezoekers er nodig zijn voor één aanvraag. Dan wordt zichtbaar welke pagina’s er echt toe doen.
Waar de meetfouten zitten
Je eigen medewerkers en je bouwer worden meegeteld als je het interne IP-adres niet uitsluit. Nieuwsbriefverkeer komt binnen als direct als de links geen UTM-tags hebben. Bots en spamverwijzingen blazen je referral-cijfers op. En bij een webshop met een aparte betaalomgeving telt de terugkeer vanaf de betaalpagina als nieuwe sessie, waardoor je verkeer én je conversieratio allebei niet kloppen zolang de verwijzingsuitsluitingen niet goed staan.
Voor je een euro in meer verkeer steekt, is het verstandig te controleren of je huidige cijfers überhaupt kloppen. Dat kijken we mee in een SEO-scan.
Benchmarking in marketing is het afzetten van je eigen prestaties tegen een referentiepunt: je eigen historie, je directe concurrenten of het gemiddelde in je branche. Zonder zo’n referentiepunt is een cijfer betekenisloos. Een conversieratio van 1,8 procent is uitstekend of dramatisch, dat hangt volledig af van waarmee je het vergelijkt.
Drie soorten benchmarks
- Intern: jezelf vergelijken met dezelfde periode vorig jaar. Dit is de eerlijkste vorm, want alle andere variabelen zijn gelijk gebleven.
- Concurrentie: jezelf naast de partijen leggen die daadwerkelijk in de zoekresultaten boven of onder je staan.
- Branche: het gemiddelde in je sector. Het minst betrouwbaar, omdat je nooit weet wie er in dat gemiddelde zit.
Wat je in SEO benchmarkt
Zet een vaste set van bijvoorbeeld vijftig zoekwoorden op die er commercieel toe doen. Meet daarop maandelijks je zichtbaarheid: op hoeveel van die woorden sta je in de top 10, en hoe verhoudt dat zich tot de concurrenten die je in diezelfde resultaten tegenkomt. Daarnaast: het aantal verwijzende domeinen, het aantal geïndexeerde pagina’s dat verkeer trekt en je Core Web Vitals.
Belangrijk is dat je de juiste concurrenten kiest. Niet de bedrijven die je op een netwerkborrel tegenkomt, maar de sites die in de SERP boven je staan. Dat zijn soms vergelijkingssites of een vakmedium, en dat is een nuttige constatering op zich.
Waar het misgaat
De grootste fout is een branchegemiddelde uit een willekeurig blog behandelen als harde norm. “De gemiddelde CTR is 3 procent” zegt niets als je niet weet welke posities, welke sector en welk jaar erachter zitten. Een tweede fout is appels met peren vergelijken: een webshop met duizenden productpagina’s naast een dienstverlener met twaalf pagina’s leggen levert conclusies op die nergens op slaan.
En dan de belangrijkste: een benchmark zonder actie is een presentatieplaatje. Concreet voorbeeld: je staat op positie 4 met een CTR van 2 procent, terwijl je op je andere pagina’s op die positie rond de 7 procent zit. Dat gat is de benchmark. Wat je ermee doet, is je titel en meta-omschrijving herschrijven en over drie weken opnieuw meten. Dan pas heeft het benchmarken iets opgeleverd.
Voorspellende analyse in SEO is het gebruiken van bestaande data om te schatten wat een ingreep gaat opleveren, voordat je hem doet. Niet om er een belofte van te maken, maar om te kunnen kiezen: welke twintig pagina’s pak je eerst als je er honderd hebt?
De rekensom
De basis is simpel. Je neemt het geschatte zoekvolume van een zoekwoord, vermenigvuldigt dat met de doorklikratio die bij de positie hoort die je wilt bereiken, en daarna met de conversieratio van die pagina en de gemiddelde waarde van een klant.
Een pagina staat op positie 9 en krijgt volgens Search Console 2.000 vertoningen per maand met 30 klikken. Bereik je positie 3, dan gaat de CTR grofweg van 1,5 naar 7 tot 10 procent. Dat zijn ruwweg 140 tot 200 klikken. Converteert die pagina op 3 procent en is een klant 800 euro waard, dan praat je over 3.000 tot 5.000 euro per maand. Presenteer dat als bandbreedte, nooit als getal met twee decimalen.
Waar de data vandaan komt
- Search Console: 16 maanden historie met echte vertoningen, klikken en posities van jouw site. Dit is je betrouwbaarste bron, want het zijn jouw cijfers en niet een schatting.
- GA4: conversieratio’s per landingspagina.
- Keyword-tools: zoekvolumes voor termen waarop je nog helemaal niet scoort.
- Seizoenspatroon: haal dat uit je eigen historie, niet uit een algemene grafiek. Een dakdekker en een boekhouder hebben tegengestelde pieken.
Waar het misgaat
De grootste denkfout is werken met vaste CTR-tabellen alsof de zoekresultatenpagina er nog uitziet als in 2015. Staat er boven jouw zoekwoord een AI Overview, een shoppingblok, vier advertenties en een kaartblok, dan is de organische positie 1 goed voor een fractie van wat die tabel belooft. Kijk altijd eerst naar de SERP zelf voor je gaat rekenen.
De tweede is de tijdsdimensie weglaten. Een forecast die zegt dat je over een jaar 5.000 euro per maand extra draait, klopt misschien, maar de opbouw daarnaartoe verloopt niet lineair. En de derde: een forecast presenteren als garantie. Wie een gegarandeerd bedrag belooft op basis van een rekensom, heeft die rekensom niet begrepen.
Wij gebruiken dit vooral om te prioriteren. Hoe die volgorde eruitziet, lees je bij onze SEO-aanpak.
Google Suggest is de functie die tijdens het typen zoeksuggesties in de zoekbalk toont, officieel Google Autocomplete geheten. Typ je “zonnepanelen”, dan verschijnen er direct aanvullingen als “zonnepanelen kosten” en “zonnepanelen terugverdientijd”. Die suggesties komen niet uit de lucht vallen.
Hoe de suggesties tot stand komen
Google baseert ze op zoekopdrachten die echt en veelvuldig worden ingetypt. Daarbij weegt mee waar je zit, in welke taal je zoekt, wat er op dat moment actueel is en wat je zelf eerder hebt gezocht. Het is dus geen ranking van websites, maar een spiegel van wat mensen intypen. Google filtert er wel actief in: suggesties die beledigend, gevaarlijk of onnodig persoonsgevoelig zijn, worden weggehaald.
Waarom het bruikbaar is
Het is de goedkoopste bron van longtail-zoekwoorden die er is, en de enige die je de exacte formulering van je doelgroep geeft. Zoekwoordtools geven je volumes, Suggest geeft je taal. En vaak zit de commerciële intentie in het staartje: woorden als “kosten”, “ervaringen”, “review”, “of” en “vs” vertellen je precies in welke fase de zoeker zit.
Een paar manieren om er meer uit te halen:
- Typ je zoekwoord en loop daarna het alfabet af: “zonnepanelen a”, “zonnepanelen b”, enzovoort. Elke letter geeft een nieuwe reeks.
- Zet vraagwoorden ervóór: “waarom zonnepanelen”, “hoeveel zonnepanelen”.
- Kijk ook naar “Mensen vragen ook” en naar de gerelateerde zoekopdrachten onderaan de resultatenpagina. Dat is dezelfde bron, andere weergave.
Waar je op moet letten
De suggesties zijn gepersonaliseerd en locatiegebonden. Zoek je op kantoor terwijl je de hele dag met je vakgebied bezig bent, dan krijg je een vertekend beeld. Werk in een incognitovenster en zet je locatie bewust op de juiste plaats.
Verder is een suggestie geen zoekvolume. Dat een term verschijnt, betekent alleen dat hij vaker voorkomt dan de alternatieven bij die letters, niet dat er duizend mensen per maand op zoeken. Controleer dat altijd in een zoekwoordtool voordat je er een pagina voor bouwt.
En het laatste: pogingen om je eigen merknaam in de suggesties te duwen met geautomatiseerde zoekopdrachten werken niet. Google haalt dat patroon eruit, en het levert je hooguit een handmatige verwijdering op.
Google-zoekresultaten in het buitenland bekijken betekent dat je de zoekpagina opvraagt zoals iemand in een ander land of een andere stad die te zien krijgt, in plaats van de resultaten die Google op jouw eigen locatie afstemt. Google personaliseert namelijk op land, taal, apparaat en zelfs de wijk waar je zit, dus wat jij ziet is niet wat je klant ziet.
Waarom je eigen scherm liegt
Zoek je op je eigen laptop naar je merknaam, dan staat je site vrijwel altijd bovenaan. Google weet dat je die site vaak bezoekt, kent je locatie en kleurt de resultaten in. Iemand in Antwerpen of Berlijn ziet iets heel anders. Wie op basis van zijn eigen scherm conclusies trekt over ranking, meet dus zijn eigen browsergeschiedenis.
Zo doe je het wel goed
De eenvoudigste manier is de URL-parameters van Google gebruiken. Met &gl= stel je het land in, met &hl= de interfacetaal. Wil je zien wat een Duitse zoeker krijgt, dan roep je de zoekpagina op met gl=de en hl=de. Voor stadsniveau gebruik je de parameter &uule=, waarmee je een specifieke locatie meegeeft.
Praktisch voorbeeld: een groothandel in Schiedam levert ook aan Vlaamse installateurs. In Nederland staat de site op positie 3, maar met gl=be blijkt hij op pagina twee te staan, omdat Belgische concurrenten daar sterker zijn. Zonder die check had niemand dat gezien.
Andere manieren
- Incognitovenster: haalt je zoekgeschiedenis eruit, maar niet je locatie. Half werk.
- Google Ads Ad Preview Tool: laat resultaten zien voor een land, taal en apparaat naar keuze zonder je eigen sessie te vervuilen.
- Rank trackers: die meten dagelijks vanaf vaste locaties en bewaren de historie. Dat is wat je wilt als je posities over tijd volgt.
- VPN: werkt, maar is traag en onbetrouwbaar voor precieze stadsmetingen.
Wat er in de praktijk misgaat
De klassieke fout is met een VPN inloggen op je eigen Google-account. Je IP-adres is dan Frans, maar je account is nog steeds van jou en Google blijft personaliseren. Log uit, of gebruik een tool die niet aan jouw sessie hangt.
Twijfel je of je echt ziet wat je klanten zien? Vraag een gratis SEO-scan aan, dan meten we de posities vanaf de locaties die voor jou tellen.
De footer is het blok onderaan een webpagina dat op elke pagina van de site terugkeert, met daarin doorgaans contactgegevens, juridische links, openingstijden en een selectie navigatielinks. Het is de laatste plek waar een bezoeker terechtkomt die niet vond wat hij zocht, en daarmee een stuk belangrijker dan het opgevulde restje waar veel sites het voor aanzien.
Wat de footer doet voor bezoekers
Mensen die tot onderaan scrollen zitten vaak in een van twee situaties: ze willen contact opnemen, of ze zoeken iets specifieks dat ze in het hoofdmenu niet vinden. Een footer met een leesbaar adres, een klikbaar telefoonnummer en een korte lijst met de belangrijkste pagina’s vangt beide op. Op mobiel is het bovendien vaak de snelste weg naar je telefoonnummer.
Wat de footer doet voor Google
Links in de footer staan op elke pagina en geven Google dus een signaal over wat je belangrijk vindt. Bij een webshop met honderden productpagina’s is een footerlink naar de hoofdcategorieën een efficiënte manier om die pagina’s intern te versterken. Ook je NAW-gegevens horen hier: consistente bedrijfsnaam, adres en telefoonnummer helpen bij lokale SEO, zeker als ze overeenkomen met je Google Bedrijfsprofiel.
Wat er misgaat
De meest voorkomende fout is de footer volstoppen. We zien sites met tachtig links onderaan, inclusief elke stad in een straal van vijftig kilometer. Dat is een keyword-stuffing-signaal, het verwatert de waarde van je interne links en niemand klikt erop. Een voorbeeld uit de praktijk: een installatiebedrijf had 40 plaatsnaamlinks in de footer staan, van Rotterdam tot Barendrecht. Na het terugbrengen naar de zes plaatsen waar ze daadwerkelijk werken, bleven alleen de relevante pagina’s over en werden die beter zichtbaar.
Praktische regels
- Houd het bij 10 tot 25 links, gegroepeerd in duidelijke kolommen met koppen.
- Zet je bedrijfsgegevens er letterlijk in, niet als afbeelding.
- Verwijs naar privacyverklaring en algemene voorwaarden, dat verwacht een bezoeker daar.
- Gebruik geen footer als plek voor tekst die je nergens anders kwijt kon.
De footer is geen vuilnisbak. Behandel hem als een klein, goed geordend menu.
Targeting is het afbakenen van de groep mensen die je met een boodschap wilt bereiken, en het inrichten van je content of advertenties zodat juist die groep je vindt. In advertising gebeurt dat door kenmerken te kiezen zoals locatie, leeftijd of interesse. In SEO werkt het anders: daar bepaalt de zoekopdracht wie je bereikt, en jij richt je op de zoekopdrachten die bij je klant horen.
Targeting in SEO: intentie in plaats van demografie
Je kunt in Google niet instellen dat alleen vrouwen van 35 tot 50 jouw pagina zien. Wat je wel doet, is een pagina bouwen die exact past bij wat iemand intypt. Iemand die zoekt op “wat kost een keuken” zit in een oriëntatiefase. Iemand die zoekt op “keukenmontage offerte” wil kopen. Dat zijn twee doelgroepen, en ze verdienen twee verschillende pagina’s.
Die intentie is je targeting. Ken je de zoekintentie, dan weet je welke vragen de pagina moet beantwoorden, welke toon past en welke call-to-action logisch is.
Vier soorten zoekintentie
- Informatief: iemand wil iets weten (“hoe werkt een warmtepomp”).
- Navigatie: iemand zoekt een specifiek merk of pagina.
- Commercieel: iemand vergelijkt (“beste warmtepomp 2026”).
- Transactioneel: iemand wil kopen of aanvragen (“warmtepomp laten installeren”).
Zet je een offerteformulier op een informatieve pagina, dan bounce je bezoekers weg. Zet je een lange uitleg op een transactionele pagina, dan haakt de koper af.
Geografische targeting
Werk je in een vast gebied, dan is locatie wel degelijk onderdeel van je targeting. Een dakdekker die in Schiedam, Vlaardingen en Rotterdam werkt, heeft baat bij pagina’s die op die plaatsen zijn toegespitst, met echte informatie per gebied. Niet dezelfde tekst met een andere plaatsnaam erin geplakt, want dat herkent Google direct als dunne content.
Waar het misgaat
Bedrijven kiezen doelgroepen op gevoel en bouwen pagina’s voor zichzelf, niet voor de zoeker. Kijk daarom eerst in Search Console welke zoektermen je nu al binnenhalen. Daar staat vaak een doelgroep die je nog niet bediende. Wil je hulp bij die vertaling van intentie naar pagina’s? Onze aanpak begint altijd bij die analyse.
Een SEO-manager is verantwoordelijk voor de organische zichtbaarheid van een website: hij bepaalt de strategie, stuurt de uitvoering aan en rekent zichzelf af op verkeer, posities en uiteindelijk aanvragen of omzet. Het is een regierol. De SEO-manager schrijft niet elke tekst zelf en bouwt niet elke pagina, maar hij bepaalt wel wat er gebeurt en in welke volgorde.
De vier gebieden waar hij op stuurt
- Techniek: crawlbaarheid, indexatie, laadsnelheid, structured data, redirects. Meestal in samenwerking met developers.
- Content: welke pagina’s er moeten komen, op welke zoektermen, en of bestaande pagina’s een opknapbeurt nodig hebben.
- Autoriteit: het opbouwen van relevante links en vermeldingen, vaak samen met PR of een linkbuildingpartij.
- Meten: Search Console, Analytics en rank tracking omzetten naar beslissingen, niet naar gekleurde rapporten.
Hoe een week eruitziet
Veel van het werk is prioriteren. Er zijn altijd meer ideeën dan uren. Een SEO-manager kijkt naar wat het meeste oplevert per bestede euro. Concreet voorbeeld: een webshop had 300 productpagina’s zonder unieke omschrijving en tegelijk een blog met 80 artikelen die nauwelijks verkeer trokken. De keuze om eerst de 40 best verkopende producten van fatsoenlijke teksten te voorzien, leverde binnen een kwartaal meer op dan een jaar bloggen had gedaan.
Daarnaast: overleg met developers over een release die de site plat kan leggen, briefings aan copywriters, en uitleggen aan de directie waarom resultaat maanden duurt.
De onderschatte kant: draagvlak
Het lastigste deel van de rol is zelden technisch. Het is uitleggen aan collega’s die geen SEO doen waarom die redirect niet mag vervallen, of waarom een mooie maar tekstloze homepage een probleem is. Een SEO-manager die niet kan overtuigen, krijgt niets gedaan.
In huis of uitbesteden?
Voor het mkb is een fulltime SEO-manager vaak te zwaar. Dan werkt het beter om de regie extern te beleggen. Kijk bij twijfel naar SEO uitbesteden of naar de rol van een SEO specialist, die dieper op de uitvoering zit.